Uit de Algemene Politieverordening Gemeente Den Haag

4 Herdruk maart 2004

Artikel 6

Voorwerpen op de weg

1. Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders een

voorwerp op, in, over of boven de weg te plaatsen, aan te brengen of te hebben, alsmede een weg in de

zin van de Wegenverkeerswet 1994 aan te leggen of in die weg een wijziging te brengen.

*Zie kaart DSO 01-2083

2. Dit verbod is niet van toepassing op:

a. aan gebouwen bevestigde, niet voor commerciële doeleinden gebruikte vlaggen,

wimpels, vlaggenstokken en dergelijke, voor zover deze voorwerpen zo zijn

aangebracht, dat zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of

goederen;

b. zonneschermen, mits aangebracht boven een trottoir en voldoen aan de voorwaarden:

1. dat geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven het trottoir of minder dan

0,5 meter binnen de buitenkant daarvan bevindt;

2. dat geen onderdeel verder dan 1,4 meter buiten de opgaande gevel reikt;

c. voorwerpen, met uitzondering van tenten, die gedurende korte tijd op de weg worden

geplaatst en daar geen gevaar of hinder opleveren voor personen of goederen;

d. voertuigen, met uitzondering van:

- voertuigen die onderdeel uitmaken van het bouwverkeer of worden gebruikt

bij bouwactiviteiten;

- fietsen, bromfietsen of motorfietsen die op de weg worden geplaatst met het

kennelijk doel om deze te koop aan te bieden of te verhandelen.

e. werkzaamheden, welke een gevolg zijn van een aanschrijving van burgemeester en

wethouders op grond van artikel 21 lid 2 van de Woningwet (calamiteitenbepaling).

f. werkzaamheden ten behoeve van huisaansluitingen voor nutsvoorzieningen (telefoon,

kabeltelevisie, gas, water, electra, riool, stadsverwarming) en geen gevaar of hinder

voor personen of goederen opleveren;

g. kleine voorwerpen met een publieke functie, die door burgemeester en wethouders bij

nader besluit zijn aangewezen;

h. werkzaamheden ten behoeve van de aanleg of wijziging van een weg in de zin van de

Wegenverkeerswet 1994, welke door, in opdracht of met toestemming van de

gemeente worden uitgevoerd, met uitzondering van de werkzaamheden ten behoeve

van de aanleg en onderhoud van nutsvoorzieningen en werkzaamheden die worden

uitgevoerd op de hoofdroutes en in het centrumgebied, die burgemeester en

wethouders bij nader besluit vaststellen door middel van een of meer kaarten;

i. voorwerpen geplaatst ten behoeve van de uitvoering van bouwwerkzaamheden, die

worden uitgevoerd buiten het centrumgebied en de hoofdroutes als bedoeld onder h,

indien en voorzover de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven.

j. voorwerpen in winkelportieken, voorzover deze voorwerpen ten dienste staan van de

aan het portiek gelegen winkel(s) en voorzover deze voorwerpen geen hinder voor de

omgeving opleveren;

k. voorwerpen in door burgemeester en wethouders aangewezen winkelpassages,

voorzover deze voorwerpen ten dienste staan van in de passage gelegen winkels.

3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd, indien tegen de verlening

daarvan overwegend bezwaar bestaat uit een oogpunt van:

- openbare orde;

- doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de

bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling van

gebruiksmogelijkheden van de weg;

- bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, tenzij het betreffende

voorwerp op grond van de Woningwet dient te worden getoetst aan de redelijke eisen

van welstand;

- schade die door het gebruik aan de weg wordt toegebracht of;

- te verwachten hinder voor de omgeving als gevolg van het gebruik van de weg ten

behoeve waarvan de vergunning wordt gevraagd, tenzij daarop regels bij of krachtens

de Wet milieubeheer of het bepaalde in de artikelen 55 tot en met 66 en artikel 69 van

toepassing is.

4. De aanvrager van een vergunning is verplicht daarvoor gebruik te maken van een door

burgemeester en wethouders voor bepaalde categorieën van voorwerpen of activiteiten vastgesteld

aanvraagformulier (formulier A) vaststellen.

5. Een aanvraag om vergunning wordt eerst in behandeling genomen, nadat de voor de

beoordeling van de aanvraag benodigde stukken zijn overgelegd conform de door burgemeester en

wethouders vastgestelde richtlijnen (formulier B).

6. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de omvang en plaatsing van

voorwerpen als genoemd in het tweede lid onder j. en k. Deze nadere regels strekken ter bescherming

van de belangen als genoemd in het derde lid. In deze nadere regels kan voor bepaalde categorieën van

voorwerpen worden bepaald dat de uitzondering als genoemd in het tweede lid onder j. of k. niet van

toepassing is.