Nabetrachting
“Dag
lieveling” per telefoon
Dat klonk
mij als muziek
Het pesten
wat je mij vaak doet
Dat maakt
me bijna ziek
Ach scherts
en
plaag kan ik best aan
Maar
pesten
is gemeen
Kom laat
dat nu toch voortaan staan
Ik heb
slechts jou alleen
Je meent
het niet en ’t is maar scherts
Je weet
niet wat je doet
Mij doet het pijn dat weet je wel
Het grijpt
mij in ’t gemoed
Si
vous vouler aimer il faut croire d’abord
All
meine Gedanken
hast du genommen
Vraag
Zigeunerinne,
Die ik minne,
Jij mijn
lief, mijn levensvreugd.
Bent
degene,
Die ik mene
Die mijn
hart en ziel verheugd
Laat ons
bouwen,
In
vertrouwen,
Dat er
veel
ten goede keert,
In dit
leven ons gegeven,
Waar de
liefde ons verteert.
Waar ik ga,
Of waar ik
sta
‘k Denk er
immer over na
‘k Kan
niet
terug en kan niet zwenken
Immer moet ik
aan jou denken.
Liefste
wordt jij eens mijn ga?
Herfst
De
winterzon ging bloedrood onder.
Achter
kale
takken; een heerlijk wonder
Een groep
vogels gleed in glijvlucht voort
Wij werden
stil en spraken geen woord
Een stille
vijver weerkaatste den gloed
Wondermooi,
’t gaf rust in ’t gemoed.
Aan bomen
en struiken
Reeds nieuw
ontloken
Nog moeten
we wachten
En rustig
betrachten
Eer lente
gaat komen
Met
heerlijke dromen
Ja zoo is
het
leven,
’t Gaat op
en
’t gaat neer,
Ieder jaar
weer
Gedachten
Nog nooit
heb ik zoveel van iemand gehouwen
Al is ook
zijn haar wel wat geel, niet mooi grijs,
Maar wat
hij zegt, daar kun je op vertrouwen,
Zijn neus
vind ik echter eigenwijs
Zijn hart
is bloedrood, vloeit over van liefde,
Rood ook
zijn lippen tot kussen bereid.
Sprak ik
soms een woord, dat innig hem griefde
Vind ik het “schade” dat spoedig hij schreit.
De lepel aflikken, zal hij nu niet meer doen.
Dat is
onesthetisch, dat is onfatsoen
Graag likt
hij iets anders wanneer ik dat vraag
En vraag
ik
het niet, toch even zoo graag
Jou Heerlijkheid
,,
Fijnigheid
,,
Stouterd
Waarheids
pelgrimstocht
Dicht
onder
Himalaya’s sneeuwvelden strekt
zich het rijk
der feeën uit.
Elk jaar
is
het een der feeën vergunt naar de
aarde af te
dalen.
Ditmaal
was
het de fee der Waarheid die voor eenigen
tijd
de aarde kwam bezoeken, om te
weten hoe het
daar stond met de waarheid.
Zij
bezocht
daartoe allerlei bijeenkomsten en vergaderingen, kerken en inrichtingen
van
wetenschap, priesters en geleerden en overal
vond ze dat
men
met de waarheid op zeer
slechten voet
stond.
Nergens
werd ze geloofd en overal uitgelachen
en zelfs
vervolgd.
Toen zocht
zij een toevlucht bij een fietsenma-
ker op de
kermis.
Deze
grappenmaker hield er een fabelspel op na en slechts daar was ze veilig.
Aan de
opening van zijn tent hield hij een schreeuwende toespraak waarbij hij
vertelde
dat de waarheid bij hem inwoonde.
Niemand
geloofde hem en iedereen lachte hem
uit.
Zo is het
ook in het leven, de leugen wordt het
eerst geloofd.
Zie maar
naar de theaters, naar de variétés!
Daar laat
men zich waarheden in het gezicht slingeren en men zegt rustig: “Zoo is
het” , men lacht er om en heeft zichzelf
gezien.
En riep Eusopus toen men wil de waarheid wel, doch
nergens loopt ze min gevaar dan in het fabelspel.
Si
vous vouler aimer il faut croire d’abord
O Liebliche Wangen
(Flemming) – (Muziek Brahms)
O, liebliche Wangen, ihr
macht mir Verlangen,
Dies rote dies weisse zu schouwen mit Fleische
Und dies nur alleine ist ’s nicht was ich
meine
Zu schauen, zu grüssen, zu rühren, zu küssen
Ihr macht mir verlangen, o liebliche
Wangen
O Sonne der Wonne! O Wonne der Sonne!
O Augen, so saugen das Licht meiner
Augen
O engliche Sinnen! O himmlich Beginnen!
O Himmel auf Erden, magst du mir nicht werden.
O Wonne der Sonne, O Sonne der Wonne
O Schönste der Schönen!
Benimm mir dies sehen
Komm
eile, komm, komme, du Süsse, du
Fromme
Auch Schwester, ich sterbe, ich sterb’ ich verderbe
Komm komme, komm, eile, komm, komme, komm, eile
Benimm mir dies Sehnen, O schönste
der Schönen
Een knufje
Een knufje heb ‘k bekommen
Ik schrok,
ik weet niet hoe
Wat was ik
toch “beklommen”
Ik zei
geen
ba of boe.
Het was
toch eens gekomen
Waar ‘k nu
niet meer voor beef
Natuur en
kunst en liefde,
Mijn lief
waarvoor ik leef
Nu wil ik ’t graag bekennen
Al is het
niet te vroeg
Ik wil
altijd bij jou wezen
Van jou
krijg ‘k nooit genoeg.
Ach mocht
het spoedig wezen
Mijn heerlijk appelwang
Dan was ik
gauw genezen
En was ik
nooit meer bang.
Deine Wonne
’t Hoofd
omhoog
Laat je
toch gelden
Neem toch
niet dat vloeken, schelden
Twaalf jaren dat is lang
Was je
helemaal niet bang
Nu riskeer
je weer gevaar,
Lieg ik
nu?
Of is dit waar?
Kom dus
niet meer met die kuren
Óver dood,
revolvervuren.
Lieg niet,
houd er nu mee op,
Toon een
flinke Duitsche kop
Laat je
afkomst niet vervloeken,
Doe die
zaak flink uit de doeken.
Zeg mij
a.u.b. nu even
Waarom of
jij bent gebleven?
Wees
verzekerd lieve vrouw,
Dat ik
toch
veel van je houw!!
Jou Engelenbout
Verlangen
Een knufje, een zoentje
Vlug was ’t geschied
Zat daar
nu
niets achter?
Toe wisten
wij ’t nog niet
Ik ging
naar huis, met dansen en zingen
Het begon
toen eerst goed tot mij door te dringen
Wat was ik
gelukkig,
‘k Was o
zoo blij
Het bleef
niet bij een keer,
Jij hoorde
bij mij.
Ook mocht
spoedig zijn, wat wij beider verwachten
In waken
en
dromen, in dagen en nachten!
Wie heb ik
gelukkig gemaakt,
Vroeg ik
toen.
Me zelf,
of
jou liefste?
Kom, geef
me een zoen
Ik kan
niet
goed wachten, o, mocht het gauw zijn
Kom
liefste
kom spoedig, om bij mij te zijn
Per radio
hoorde ik
De liefde
bezingen
Dat is wel
het hoogste van alle dingen
Weet goed
wat in ’t Duitsche
gedichtje staat!
“Komm, komme, komm eile”anders is
’t te laat!
Gaat
meestal anders wordt vaak gezegd
Als je
denkt dat het goed gaat, gaat het eerst slecht!
Wintermorgen
Wat is de
wereld wondermooi
Ook in
wintertooi
Bomen en
struiken met rijp belaan,
Staan stil
te dromen, van komen en gaan
Dan komt
weer de lente,
Een
tuinman
gaat enten
Bloesem en
bloemen zullen weer daar zijn
Dat zal
weer geven een heerlijk festijn
De zomer
is
heerlijk
Zoo rijk
en
begeerlijk
Wat is dan
de wereld schoon
Niets valt
dan meer uit den toon
En is de
herfst weer daar,
Ook daar
verlangen we naar.
’t
Verdwijnen
van geuren, verander van kleuren
Verheugen
we ons in ’t gebeuren
Natuur is
zoo groots en zoo prachtig
Daarbij
zijn wij klein en onmachtig.
Partir c’est mourir un peu
Vertrekken,
is als een beetje doodgaan
(vrij vertaald)
Nu ga ik
heen, om spoedig weer te keren,
De tijd
gaat snel, dat is ons ook bekend.
Och afscheid
nemen behoef ik niet te leren,
Dat doe ik
steeds, daar ben ‘k op ingesteld
Steeds ben
ik daar, waar ‘k weet daar is verlangen
Want vrij
is immers onze geest.
Ik leef
dus
niet in klagen of in bangen
Ben steeds
bij jou al ben ik weg geweest.
Herfstgedachten (10-9-53)
Het wordt reeds aardig koud
En nog
geen
half September.
Ik vraag
waar moet dat heen?
En staar
naar de kalender.
Ja, elk
getij is prachtig,
Als men
voelt voor natuur.
Zie toe
kijk om je heen
’t Is alles
even machtig.
Zie toe,
kijk om je heen,
Naar
bloemen heesters struiken.
Nieuw
leven
is er reeds
Om straks
weer te ontluiken.
Geloof,
Hoop en Liefde (27-9-53)
Gelukgewenst
met desen dag,
Nog vele,
velen jaren.
Gezond en
vrolijk zoo het mag
Ach,
konden
wij het klaren
Je weet
hoe
ik er maar naar streef
Jou steeds
te kunnen schragen
Ik zou zo
graag zoo lang ‘k nog leef,
Jou op de
handen dragen!
Laat ons
dus leven bij het uur,
Ons staat
niets anders open.
(tekst
verscheurd!!!)
Het is nu
ruim een jaar geleden,
Dat jij je
gaf en hebt verklaard.
Vaak hen
je
dat wel weer bestreden,
Voor mij
is
het het meeste waard!!!
Du meine Wonne
Bertchen
O,
appelwang,
Hoor naar
mijn zang
Moet ik
nog
langer wachten?
O,
appelwang,
Wat duurt
het lang
Och laat mij
zoo niet smachten.
O, wangen
rond,
Niet op jou
mond.
Die rode
kleur versmeren.
Laat toch
natuur,
Want op
den
duur,
Zou ik jou
niet waarderen.
Jij houd als geen
Van mij
alleen
Dat heb je mij versproken
Laat dan
die verf,
Voor al ’t bederf,
Aan al die
modespoken.
Waarom je
nagels niet gekleurd,
Dat heb je
zelf afgekeurd.
En lippen
bleek, die verf je uit nood,
Maar die
van jou zijn heerlijk rood.
Jou Bertchen
Nabetrachting
Wij waren
aan zee,
In een
zeer
rustig net café.
En hebben
daar koffie gedronken.
Eerst was
alles lustig
Wij
spraken
heel rustig
Daarna in
gedachten verzonken
De zee was
wat woelig
Ik was wat
gevoelig
En kon me
haast niet bedwingen
’t Gemoed
schoot me vol,
Dat was
weer op hol,
Ik kreeg
lust om een liedje te zingen.
Dat liedje
is oud,
’t Maakt
warm
en weer koud
Toen heb
ik
gedichten besproken.
Dat deed
me
weer goed,
Aan ’t onrustig gemoed,
’t Was weer
onstuimig aan ’t spoken
Toe
appelwang lief
Schrijf
nog
eens een brief
Leg open
je
hart, je gevoelen
Zeg alles
aan mij
Hoe of het
ook zij
Kom laat
me
niet raden, maar voelen?
Je zei:
“Ik
ben niet altijd lief
Soms ben
ik
wel wat kattig”.
Mag ik dan
toch jouw muisje zijn?
Jou bijten
vind ik schattig.
Oct 1953
“Auch kleine Dingen können
uns entzücken
Auch kleine
Dingen können traurig
sein”.
Door Ludwig Wüllner
hoorde
ik dit, ruim
40 jaar
geleden zingen.
Het is
mij,
als romanticus, altijd bij gebleven dat begrijp jij wel.
Ja ik ben
fijn gevoelig en verlang daarentegen over ook fijngevoel.
Ik weet
dat
jij ook veel van mij houdt.
Zelf heb
jij eens gezegd: “Omdat jij je zoo vrij tegenover mij kunt geven”.
Toch zou
ik
dat zoo graag, zoo dolgraag meer gewaar worden.
Speldenprikken
zijn erger dan klappen.
Jaloers
ben
ik en jij (gelukkig) ook.
Of ik jou
liefheb, appelwang,
Dat hoef
je
niet te vragen.
Toch voel
ik me zoo vaak alleen,
In nachten
en in dagen.
Was
rozenmondje steeds bij mij,
Dan zou ik
niet meer klagen.
Ik zou je
knuffelen keer op keer,
De nachten
en de dagen.
10-11-53
Gevoelig
jij?
Niet
minder
hij,
Waarop jij
zoo verliefd bent.
Wees
voortaan lief
O hartedief
Opdat hij
jou weer terug kent.
O kom nu vlug,
Wees niet
zoo stug,
Och toon je
waren aard.
Zoodat
Mijn schat,
Hij voelt:
“Ik ben het waard”.
12-11-53
In ’t bos ik liep,
Een vogel
riep.
Stel alles
om me heen
Een blad
viel neer
Die roep
kwam weer
Ik was
niet
meer alleen
O kleuren
schoon
In
najaarstorm
O
ondergaande zon.
Wat is
toch
mooi,
Die
herfsttooi.
‘k Zou
zingen als ‘k maar kon.
nov 1953
Mist ligt
over wegen en velden
Het donkert al vroeg
Herfst
laat
zich gelden
Deez’ keer
niet
te vroeg.
Toch is
hij
gekomen,
Verlaten
de
wegen.
Kaal staan
de bomen.
De natuur
is nog rustig
Straks
komen de vlagen
Van regen
en stormen
Maar toch
niet versagen
Het wordt
wel weer goed
’t Komt
alles
op tijd.
Houdt
steeds goeden moed
Gauw is ’t weer winter
Met sneeuw
en met ijs
De vogels
zij zoeken naar water en spijs
Een huisje
voor voedsel
Maken we
wel
Dan komt
dat gevederde goedje weer snel
Een
lijster
en roodborst, vink en sijs
Ieder
kwettert op eigen wijs
Dat is dan
een vliegen, een komen en gaan
Waar komen
die snaken zoo vlug weer vandaan?
Wij moeten
niet vragen van hoe of waar
Wij horen
genieten en kijken maar!
23-11-53
Multatuli
Wanner ik
iets beweer, dat me morgen anders toeschijnt, zal ik dat zeggen voor
overmorgen.
Het kost
me
geen moeite een dwaling (mijn ongelijk) te erkennen.
Ik heb
zoo’n spijt
Mijn lieve
meid,
Van wat ik
jou misdeed.
’t Was niet
jou schuld,
Ach ’t moet geduld,
‘k Hoop
dat
je ’t maar vergeet.
Mijn bloed
dat kookt,
Mijn hart
dat spookt,
’t Slaat
alles slechts voor jou!
‘k Weet
dat
ook jij
Ook zo
voor
mij
Wilt blijven
hou en trouw!
Mijn fijn
gevoel,
O appelsmoel,
Speelt mij
zoo vaak een part,
’t Moet
onderdrukt
(Als ’t mij maar lukt)
Voor jou,
mijn liefdessmart
Wees
daarom
lief,
Koester
geen grief,
Voor wat
ik
heb misdaan.
Kom
rozenmond, O wangen rond
Neem me in
genade aan!
Dein Bertchen
De winter
is alree in ’t
zicht
De nachten
gaan weer strengen
En daarmee
komt ook weer het licht
De dagn gaan dan lengen
Dan komen
wolken groot en klein,
En blauw
zal daar weer tussen zijn.
En komt er
sneeuw en komt er ijs
Ons brengt
het niet meer van de wijs.
De das
Ach, ach
wat strop
Ging ’t door mijn kop.
Mijn das
had ik verloren
’t Geschenk
van haar,
ik vond het
naar,
War zou ik
daarvan horen.
Nu
opgebeld,
Wordt er
verteld,
De das hij
was gevonden
Toen was
ik
blij,
En zij met
mij,
Verliezen
dat is zonden.
Nu naar
“Kijkuit”
Zij ging
vooruit.
Dat hoefde
ik niet te vragen
Daar kwam
zij aan,
Ik zeer
voldaan,
Niets was
er meer te klagen!
Partir
c’est mourir un peu
Nu ga ik
heen om spoedig weer te keeren
De tijd
gaat snel dat is ons wel bekend
Ach afscheid
nemen behoef ik niet te leren
Daar ben
ik
reeds te lang op ingesteld, enz
Dec 1952
Hoe zou ik
dat nog van buiten kennen,
Zoo dit
niet eerlijk was gemeend.
Mag ik dan
jou alleeen verwennen
Blijf ik
als steeds daarvan gespeend.
“O blijf maar weg een volle veertiendagen”
Heb jij
gezegd wel keer op keer
Waar moet
ik toch mijn leed gaan klagen
Het is te
veel voor mij, ik kan niet meer!
Mijn ogen
gloeide, mijn hoofd was strak gespannen
‘k Moest
blijven en was liever heen gegaan
Gedachten
gingen rond, ik kon ze niet verbannen
Ach wat heb
je
me nu weer aangedaan
Steeds
kwam
‘k bij jou, bij jou om raad te vragen
Niets deed
‘k alleen, alles vroeg ik jou
Och waarom
steeds opnieuw dat moordend plagen
En toch
ben
jij voor mij mijn allerliefste vrouw
Wees lief
voor mij ik ben het wederkerig
Alleen
voor
jou dat weet je toch goed
Naar jou,
en jou alleen ben ik begeerig,
Toe wees
nou lief en hartelijk heerlijke appelsnoet.
Lach maar! - 3-1-54
Waar zijn
nu die kleine smakkers?
Het huisje
is toch klaar
Die vlugge
bonte pik maar zakkers
Ze komen
nog niet daar
De
kraaloog
en die gele bek,
De
roodborst eigenwijs
Ze hebben
zeker nog geen trek
Er is ook
nog geen ijs
Men lacht
en zit met mij te spotten,
Het huis
is
vast niet goed
Voor al
mijn werk is dat mijn lot en
Lachen
doet
die appelsnoet!
Maar komt
er sneeuw dan zul je ’t weten
Dan zul je
nog wat anders zien
Dan komen
al die snaken eten,
En heb je
niet genoeg misschien!
Wees niet
nieuwsgierig
9-12-54
Nu ik hier
zit,
Is er al
gauw,
Nu eens
dat
en dan weer dit.
Jij lieve
vrouw
Moet niet
nieuwsgierig wezen.
Dat is
niet
fijn,
Mijn lieve
schat.
Om zo te
zijn.
Jij moest
dat leren vrezen.
Och jij wilt
mij
Nooit zoo
verdrietig zien.
Als jij
dit
zegt, geloof ik vrij,
Dat jij
dit
meent, misschien? Ja!
Jij kent
jezelf te slech.
’t Is daarom
dat,
Ik jou
steeds zeg,
Denk na
mijn schat
Dan doe je
mij eerst recht.
IJverzucht
Met Maria
wandelen gaan
Zeg jij: “Bertchen dat laat je staan”.
Als jij
zooveel van mij houdt,
Zeg dan,
wie of jij niet vertrouwdt!
Een harde
les
Van Sambal
droom ik vast vannacht
Van uien
kaal en vet
Loempia’s
kun je niet meer ruiken
De zaak
was
keurig net
De koffie
smaakte beter
Daarbij
een
fijne kaak
Dat konden
wij waarderen
Dat aten
wij met smaak
Toch moest
jij even proeven
Dat rode hete
goed
Je tong
begon te gloeien
En trok
een
rare snoet
Een lach
moest ik bedwingen
Het deed
me
werkelijk pijn
Hoe kon je
weer zo nieuwsgierig
Zo
onverstandig zijn?
Laat nieuwsgier
je niet leiden,
Dat zeg ik
keer op keer.
Jij moet
voorzichtig wezen
Dit was
een
harde leer!
Droom -
12-1-54
De avond
daalde langzaam neer. Een rijte
vissershutten, licht aan de kust, als neergezet uit een speelgoeddoos,
was als met stofgoud overgoten.
De anders
zoo sombere vensters vingen de laatste zonnenstralen
en leken vloeibaar goud, het was als vuur en op een afstand kreeg men
de
indruk of er een geweldige brand woedde.
Het was
één
tintelen en schitteren en maakte, onder de daarboven violetkleurige
wolken,
een onvergetelijke indruk.
Boven de zachtruisende zee waren de wolken omzoomd met
een
gouden contour en gleden zacht heen naar het zuiden.
Een vlucht
vogels gleed geluidloos naar hun nachtleger. Heel de natuur ademde
kalmte en een weldadig aandoende rust kwam over alles te liggen.
In de
verte
tekende zich nog vaag enkele visservaartuigjes af tegen de daar nog
lichte
hemel.
Ik raakte
aan het dromen en zag me met haar, die ik zoo lief heb, op een zachte
zomeravond gezeten aan de voet van het duin. Stil waren we beiden, we
spraken geen
woord.
Ga met
tram en
bus -
Febr 1954
De regen
viel bij stromen neer,
Ik wist
niet wat te doen.
Ga met de
tram heb jij gezegd
Ik dacht
na
en deed het toen.
Maar bij
de
halte van de bus,
Owee het werd
mij bang
Daar moest
ik wachtenlang niet knus
Wat duurde
dat weer lang
Gelukkig
was het toen weer droog.
Dat maakte
nog iets goed
Daar liep
‘k gestadig heen en weer.
Zou ‘k
lopen? Ik kreeg weer moed.
Maar
eindelijk kwam de bus toch aan,
Vlug
stapte
ik erin
Veel
mensen
nat dicht op elkaar
‘k Was
thuis, jij had je zin.
Avond -
Febr 1954
De zon
gleed langzaam naar het westen,
Haar
stralen bestoven de gevels met goud,
De gloed
der vensters leek ten leste
Als
laaiend
vuur in ’t dorre hout
En boven
dat al, violette wolken,
De randen
met gouden contouren omzoomd,
De
vensters
geleken vlammende kolken,
Niets
scheen te leven alles gedroomd.
De avond
kwam rustig, langzaam ’t duister
Zacht
gleed
de zon in de kalme zee,
Het was
een
murmelen, een zacht gefluister,
Wij werden
stil en gleden mee!
Verzuchting -
24-4-54
Nog nooit
heb ik zooveel….vul zelf maar in
Ach waartoe
dient het ’t heeft toch geen zin
Gedacht en
gewacht, waar moet dat stranden?
De laatste
dichtregels nog in handen.
Is alles,
ja alles, zoo kort van duur?
Ach is
alles dan slechts één kuur?
Is dit tot
slot van ’t lied het droeve end?
Heb ik jou
misschien te veel verwend?
Denk nog
eens terug, hoe het is gekomen.
Nu voel ik
me of ik ben genomen
Weten wil
ik hoe je er nu over denkt,
Aan wien je nu je liefde schenkt.
Nooit hoor
ik iets als ik er niet om vraag
En dan
zelfs komt het antwoord traag
Met zoo’n
langgerekt ja – a – a ben ik niet tevreden
Daarvan
heb
ik reeds te veel geleden
Vragen
moet
ik vaak “geef me een zoen”
Kun je dat
nooit uit jezelf eens doen?
Weerzien - 24-4-54
Het
weerzien en het wederkomen,
Mededeling
van jou dromen.
Deed me zo
weldadig aan.
Het is me
niet als zoo vaak vergaan
Het komt
dus niet van ene zij
Het deed
me
goed, wat was ik blij
Och mocht het
nu maar spoedig zijn,
Weg was de
druk en ook de pijn.
O mogt het nu toch spoedig wezen
Nog steeds
maar hopen, steeds nog vrezen.
Wees toch
voor mij als ik voor jou,
Jij
appelwang, mijn lieve vrouw!
Schrijf
ook
eens iets? - April
1954
Gewacht,
Gedacht,
Waar
blijft
de vraag,
“Zeg kun
je
niets meer schrijven?”
Ik hoor
niets meer,
Geen
enkele
keer,
Moet dat
nu
zo maar blijven?”
O, neen,
Ik meen,
De zaak
zit
zo.
Dat was
Ik hoor
van
jou haast niets zaterdags
Een innig
woord
Wordt
schaars gehoord
Och schrijf jij ook ééns iets?
Zondag
Ik vraag
vaak om een lieflijk woord
Dat heb ik
gisteren toch gehoord!
’t Is jou
zelf misschien ontgaan.
Gelukkig!
Je hebt het niet met opzet gedaan!
Dus kwam
het voort uit jou gemoed,
Daarvoor
veel dank, mijn heerlijke appelsnoet!
Smeekbede - April
1954
Kun jij
dat
kletsen dan niet laten,
Je hebt
het
mij toch zo beloofd.
Van wie
heb
jij geleerd dat praten,
Ik was
gewoon versufd, verdoofd.
En is die
rem eens losgelaten.
Dan ratel
jij aan een stuk door.
’t Geeft me
niets geen smeken, geen klagen,
Dan klap
ik
aan het dove oor.
Mijn fijn
gevoel moest jij waarderen
Voor jou
heb ik zoveel gedaan,
Of wil jij
dan van mij niets leren?
Och laat mij
in vrede gaan.
Kom
liefste
schat wees wat meegaande.
Nu vraag
ik
’t jou nog een enkele keer.
Jij hebt
me
lief, dat houdt je staande
Kom denk er aan en doe ’t niet meer!
(Eerst
denken, daarna spreken)
- 4 mei
(Dat is
steeds het best gebleken)
Met een
tekort aan inteligentie,
Met raad
en
oordeel steeds gereed.
En dat met
zoveel pertinentie,
Alsof je ’t al begrijpt en weet.
Bescheidenheid
is hiet geboden,
En denken
voor je iets beweerd.
Het
logisch
denken zeer van node,
Dat is ’t vooral wat moet geleerd.
Niet dat
ik
alles in de wind sla,
‘k Neem
goede raad toch heel graag aan.
Bedenk
toch
goed hoe ik ervoor sta.
Zodra ik
kan dan zal ik gaan.
Denk ook
wat jij hebt nagelaten,
Gebleven
waar jij heen moest gaan.
En boter
op
je hoofd gelaten,
Terwijl
jij
in de zon bleef staan!
Verzuchting - Mei 1954
(nooit is
het goed)
Wel
schijnt
dezon,
Toch is
het
koud.
Het
voorjaar komt gekropen.
Wij worden
oud,
Toch
moeten
wij maar hopen.
Kom schud nu af,
Dat droeve beeld,
Al gaat
het
somtijds mis.
Is zomer
daar,
Dan
zuchten
wij,
O werd het
nu maar fris.
Doe toch
niet zo olijk
Mei 1954
Heb
gisteren in eenzaamheid,
De helen dag
gesleten
Dat is
voorwaar geen kleinigheid
Heb op ’t Plein gegeten
’s Middag “Vogelhändler’s muziek”
Genoten in
B City.
Dat was je
reinste romanthiek
Gedachten
steeds bij Christi
Was in
gedachten steeds bij jou
Dat kon je
wel verwachten
Zat op een
bank hier in ’t Voorhout
Toen was het tien voor achten
Heb vaak
dat sombre gevoel
Dat jij me
soms ontwijkt
En jij je
niet goed geven kunt
Een andre kant opkijkt
Want als
je
zegt: “ik heb je lief”
Dan lach
je
vaak zoo vrolijk
Jij bent
van mij mijn hartendief
Ach doe toch niet zo olijk
Zes vacantiedagen
6-7 Juni Pinksteren 1954
Veel kou
en
o zo weinig zon.
Zo was het
alle dagen.
O als het
mocht en als het kon,
Ik kan het haast niet dragen
Mijn tijd
is om en nu terug,
Wat zal
het
nu weer geven.
Toch ging
het alles even vlug,
Je zoudt er haast voor beven
Toch was
ik
blij, ja zeer verheugd,
Was steeds
in mijn gedachten
Bij jou
mijn lieve Appelsnoet
De dagen
en
de nachten
‘k Zie nog
het wuiven aan de deur,
Van jou
allen, dat zag ik.
Dat was zo
heerlijk en geen sleur.
Dat deed
me
goed dat mag ik.
Mei 54
Zo ga dan
heen naar andere gewesten,
Geniet
volop het is de moeite waard.
Het weer
is
schoon gekomen is de zon ten langen leste
We hebben
lang gewacht en naar de lucht gestaard.
’t Is alles
groen enn bloesem waar je heen kijkt,
De wereld
is zo mooi als men er maar op let.
Ach sta niet
stil bij ’t geen wat ons zo slecht lijkt,
Dan wordt
je neergedrukt, dan wordt je soms verplet.
Het leven
is voor ons nog altijd één groot raadsel,
Aanvaard
met moed toch alles wat er is.
(Wij allen
zijn een stuk van’t grote maaksel)
Volg op
die
raad want anders gaat het mis.
Houdt steeds je
woord! - Aug 54
Wat ik
beloofde heb ‘k gedaan,
Al was ik
er soms tegen.
Toch ben
ik
steeds heengegaan,
Het kleed
heb ik gekregen.
En drink
ik
koffie of wel thee,
Dan denk
ik
weer aan jou.
Al valt me
alles soms niet mee,
Ik doe het
voor mijn lieve vrouw.
Ach, wat
ik
doe of wat ik laat,
Waardering
blijft vaak achterwege.
Wordt jij nu
s.v.p. niet kwaad,
Jou heb ik lief , terdege.
Voor jou
doe ik zoveel ik kan,
Toch heb
ik
nog één beê.
(Ben ik
voor jou nog steeds jou man?)
Houdt ook
je woord en ‘k ben tevreê.
30-9-54
Een dag
van
storm en regenvlagen.
Dat is
geen
weer om uit te gaan.
Houd toch
maar moed en niet versagen,
Men moet
zich door het leven slaan.
‘k Zit bij
de haard en luister naar,
Der Freischütz die wordt uitgezonden
En mijn
gedachten ’t meeste daar
Waar ik
jou, liefste heb gevonden.
O, mogt het nu toch spoedig wezen
Alwaar
mijn
hart zeer naar verlangd
Ik leefde
niet in hoop en vrezen,
Voor al
jouw liefde hartelijk dank.
Een
slechte
bui - 2-10-54
Met hoed
en
jas, wat zie ik nu?
En dat met
zulk mooi weer.
Vergeet je
niet jou paraplu,
Gebruik je
die niet meer?
De kop wat
scheef de jas wat schuin
Wat was er
aan de hand?
Je was
niet
in je knollentuin,
Je arm wat
verbrand.
Ik hou niet van zoo’n kwade bui,
Soms is
het
’s avonds kil
Daarom die
jas en ook die hoed
Vindt jij dat
nu
zoo’n gril?
Het is mij ernst en geen spel 19-10-54
Eens zei
je
mij: “’k heb liefde nodig”.
Een “zachtheid”
weet je het nog, mijn liefste Schat?
Is wat ik
geef nu overbodig?
Ook ik
vraag liefde weet jij dat?
Dat ik jou
liefheb, heb ik bewezen,
In alles
wat ik deed voor jou.
Och laat mij
niet in hoop en vrezen
Wees jij
voor mij een lieve vrouw.
En ondeugd
is ’t voor kat te spelen,
’t Hoort
niet
bij liefde onthoud dit wel.
Jou heb ik lief wil ’t niet verhelen,
Mijn
liefde
is ernst en geen spel!
Donderdag
4-11-54
Zit zo
alleen,
Voel me
verlaten
Alleen de
radio geeft wat vertier
Denk
steeds
en schrijf,
Kan dat
maar niet laten.
Tracht af
te schudden dat gemier.
Het komt
steeds weer,
In waken
en
in dromen,
Ben soms
wat ruw, dat doet me zeer.
En jij,
mijn lief, heb mij genomen,
Zelfs met
mijn fouten, ach wat wil ik meer.
Chopin’s imprompter,
Hoor ik
daar spelen.
O, lief
was
jij nu maar bij mij
Dan zou ik
mij niet meer vervelen.
Ik was
gelukkig
Voelde mij
dan trots en vrij.
25-11-54
Dat staan
zo ongezond zou zijn,
Is toch
niet waar, dat is slechts schijn.
De
schoenhersteller van voorheen,
Die staat
vandaag omdat het scheen,
Veel
zitten
slecht voor stoelgang was
Ook de
tailleur begreep alras
Veel
zitten
geen gezondheid was.
Doch
altijd
staan is ook niet goed
Dat weet
eenieder daarom ’t moet,
Niet
overdreven worden
Je zit
niet
bij de was der vaten.
Men moet
de
kerk in ’t midden laten.
Bij denken
doen en ook bij praten
Ik zal het
dus maar hierbij laten
Speel jij
dus niet voor toverkol,
Weet voor
een gek is niets te dol
De kachel
heet geen verse lucht
Jaagd de
gezondheid op de vlucht
Zelfs in
de
zomer moet gestookt
Jezelf
verzwakt en uitgerookt
Hoe moet
dit als de winter spookt?
Ga rustig
zitten als het kan
Ik gun ’t je graag en ben je man.
En denk
goed na wanneer je staat
Dat elke
overdrijving schaad!
Want; Dein
ist doch mein gansses Herz,
In lief en
leed in vreugd en scherts.
26-11-54
Reeds vele
malen
opgebeld,
En kreeg
maar geen gehoor.
Ik zit
alleen en je begrijpt,
Het stelt
mij zo teloor.
Uit Heelsum kwam juist een bericht,
Dat daar
de
dood reeds naakt.
En Henny schoonzuster alhier,
Door griep
is aangeraakt.
Dus moet
ik
morgen heel den dag,
Maar zien
wat nog te doen.
De Kroes
heb ik ook afgebeld en ach
Verlang
van
jou een zoen (zoo’n
geile)
Naar Aerdenhout schreef ik ook vlug,
Hoop
spoedig nu een brief,
Waarop en
antwoord nu terug,
Met finantieel gerief.
Nu kwam ik
van de telefoon,
En vond het o zo fijn,
Het
antwoord was nu toch jou toon,
Jou stem,
ja, du bist mein.
Ik dacht
jij was met hem naar stad
Waarvoor
mij ’t harte beeft,
Omdat jij
altijd lieve schat.
Aan hem
zit
vastgekleefd.
Herfst in Aerdenhout nov 1954
Die witte,
die rode, die zwarte bessen
Zij
stonden
in herfstlijken tooi
De takjes
met goudgelen bladeren,
’t Was alles
zo heerlijk, zo mooi.
’t Was alles
zo heerlijk en rustig,
Ik
wandelde
eenzaam daarheen.
Toch
voelde
ik mij vrolijk en lustig
Mijn
gedachten vlogen naar één.
Naar één
en
kunt gij nu raden,
Wie nu die
enen zou zijn?
Ach, was
op
die eenzame paden,
Die eene die liefste mijn!
Voor haar
sneed ik af die bessen,
Die bruine
bladeren erbij.
Die bruine
zijn heel bijzonder.
Met
lieflijke groeten van mij.
St. Nicolaas - 1954
Na 7 liep
ik door de stad,
Keek
rustig
om mij heen.
Wat ik
daar
wel te zoeken had?
Ach niets,
maar ‘k was alleen.
Heb
gegeten
op de laan,
Bij mijn
familiepaar.
Moet
eindelijk daar ook weer vandaan,
Lijn 2
stond toen juist klaar.
Verlichting
moet ik ook eens zien
Waar Woensdag jij van sprak.
Ik dacht,
jij was daar ook misschien!
Of naar de
Ciniac.
’t Scheelde
weinig of ik was,
Daar ook
nog in gegaan
Doch
schrapte dit idee alras
Was even
blijven staan
De straten
waren vol van licht,
Er was
niet
veel gewoel
En door
mijn ogen dat gezicht,
Die
heerlijke Appelsmoel!
Wintergedachten
6 Jan 1955
Een
wintermiddag met lichte mist,
Omvatte alles als
in een droom.
Liep in
gedachte door de lanen,
Een
verlaten nest hing in een boom.
Toen
schoot
een merel voor mij heen,
Ben stil
daar blijven staan
En hoe ik
keek, kon niet ontdekken
Waar die
zo
snel was heen gegaan
Toch was
er
leven overal,
Wijl alles
eenzaam leek en zo verlaten
Veel
vogels
die naar voedsel zochten
’t was of ze
met elkander praten.
Gedachten
kwamen en verdwenen,
Ze gleden
heen, terug naar haar,
Die ik
maar
node had verlaten.
Och wanneer
wordt dit sprookje waar?
21 Maart 1955
Wat maal
‘k
om hagel sneeuw en kou
De lente
komt, de lente komt,
De lente
komt nu gauw
‘k Zie
spreeuwen zwermen door de lucht
Ze zwerven
heen en weer,
En zoeken
naar een rustig oord
Daar
strijken zij dan neer!
Daar
breekt
de zon door wind en wolken
Plots valt
de regen in stromen
neer.
Het water
bruist in stroom en kolken
Maar
lente,
lente is ’t toch weer!
2 Juli 1955
Geen leven
zonder liefde,
Laat af
wat
mij steeds griefde.
“Nog nooit
heb jij zoveel,
Van iemand
ooit gehouden”.
Ik geef mezelf geheel,
Vanaf we
samen trouwden.
Nu vraag
ik
nog een keer,
Wil liefde
steeds doen blijken.
Dan wil ik
altijd weer,
Naar jou
mijn liefste kijken!
Drie jaren
gingen heen
Met liefde
en met wachten
Ach was
het
toch geleen
Dat
mateloze wachten
Ik hoop
voor altijd jou alles
Bertchen
(“Si
vous voulez aimer , il faut croire dábord”)
Als je
wilt
beminnen moet je eerst geloven)
4 Juli 55
Geen radio
was nodig,
Waarom
naar
jou mijn gang.
De hoed
was
overbodig,
Allen naar
jou mijn drang.
Waartoe
dat
nooit geloven,
Vertrouw
je
mij zo slecht?
Ik wil je
wel beloven,
Van mij is
dit wel echt.
Wat
anderen
beweren,
Dat neem
jij voetstoots aan.
Als ik
iets
wil beweren,
Dan is ’t geloof gedaan!
22 Juli 1955
Drie jaren
zijn er nu voorbij,
In hopen
en
verlangen.
Wanneer zo
vraag ik zijn we vrij
De tijd is
snel vergangen
O, als je
drie jaar voor je ziet,
Dan kun je
niet geloven.
Dan denk
je
dat beleef ik niet,
Dat kom ik
nooit te boven.
“Hab Sonne im Herzen”
27-9-55
Met zon in
je hart en veel goeden moed,
Treed in
dit nieuwe jaar
Moed is er
zeer voor nodig,
Want
veelal
valt het mij zwaar.
Vandaag
daar niet aan denken,
Doch fris
en vrolijk zijn.
‘k Gaf
veel, wil meer nog schenken
Die
allerliefste mein!
12 Juni 1956
O, troeliefzus zeg
appelbol
Jij maakt
mijn hele kop op hol
Aan jou
denk ik den gansen dag,
Och dat
jij
in mijn armen lag
Zoo droom
ik altijd, altijd door,
Zelfs in
mijn slaap kom jij me voor
Altijd in
mijn gedachten.
Hoe lang
moet ik nog wachten?
All meine Gedanken hat die Liebe genommen.
Kan ik
voorgoed maar bij jou kommen!