Dit is  de gedichtenbundel, die Opa A.C.Hubertdus de vader van Bert, Hans en Jaap, schreef aan mevrouw Christine Schäfer, weduwe van de Heer F.B. Pohl. Uit particulier bezit van neef Carel Hubert.

Nabetrachting

 

“Dag lieveling” per telefoon

Dat klonk mij als muziek

Het pesten wat je mij vaak doet

Dat maakt me bijna ziek

 

Ach scherts en plaag kan ik best aan

Maar pesten is gemeen

Kom laat dat nu toch voortaan staan

Ik heb slechts jou alleen

 

Je meent het niet en ’t is maar scherts

Je weet niet wat je doet

Mij doet het pijn dat weet je wel

Het grijpt mij in ’t gemoed

 

Si vous vouler aimer il faut croire d’abord

 

All meine Gedanken hast du genommen

 

 

Vraag

 

Zigeunerinne,

Die ik minne,

Jij mijn lief, mijn levensvreugd.

Bent degene,

Die ik mene

Die mijn hart en ziel verheugd

 

Laat ons bouwen,

In vertrouwen,

Dat er veel ten goede keert,

In dit leven ons gegeven,

Waar de liefde ons verteert.

 

Waar ik ga,

Of waar ik sta

‘k Denk er immer over na

‘k Kan niet terug en kan niet zwenken

Immer moet ik aan jou denken.

Liefste wordt jij eens mijn ga?

 

 

 

 

 

 

Herfst

 

De winterzon ging bloedrood onder.

Achter kale takken; een heerlijk wonder

Een groep vogels gleed in glijvlucht voort

Wij werden stil en spraken geen woord

Een stille vijver weerkaatste den gloed

Wondermooi, ’t gaf rust in ’t gemoed.

Aan bomen en struiken

Reeds nieuw ontloken

Nog moeten we wachten

En rustig betrachten

Eer lente gaat komen

Met heerlijke dromen

Ja zoo is het leven,

’t Gaat op en ’t gaat neer,

Ieder jaar weer

 

 

Gedachten

 

Nog nooit heb ik zoveel van iemand gehouwen

Al is ook zijn haar wel wat geel, niet mooi grijs,

Maar wat hij zegt, daar kun je op vertrouwen,

Zijn neus vind ik echter eigenwijs

 

Zijn hart is bloedrood, vloeit over van liefde,

Rood ook zijn lippen tot kussen bereid.

Sprak ik soms een woord, dat innig hem griefde

Vind ik het “schade” dat spoedig hij schreit.

 

De lepel aflikken, zal hij nu niet meer doen.

Dat is onesthetisch, dat is onfatsoen

Graag likt hij iets anders wanneer ik dat vraag

En vraag ik het niet, toch even zoo graag

 

            Jou Heerlijkheid

             ,,    Fijnigheid

             ,,    Stouterd

 

 


Waarheids pelgrimstocht

 

Dicht onder Himalaya’s sneeuwvelden strekt

zich het rijk der feeën uit.

Elk jaar is het een der feeën vergunt naar de

aarde af te dalen.

Ditmaal was het de fee der Waarheid die voor eenigen tijd de aarde kwam bezoeken, om te

weten hoe het daar stond met de waarheid.

Zij bezocht daartoe allerlei bijeenkomsten en vergaderingen, kerken en inrichtingen van wetenschap, priesters en geleerden en overal

vond ze dat men met de waarheid op zeer

slechten voet stond.

Nergens werd ze geloofd en overal uitgelachen

en zelfs vervolgd.

Toen zocht zij een toevlucht bij een fietsenma-

ker op de kermis.

Deze grappenmaker hield er een fabelspel op na en slechts daar was ze veilig.

Aan de opening van zijn tent hield hij een schreeuwende toespraak waarbij hij vertelde dat de waarheid bij hem inwoonde.

Niemand geloofde hem en iedereen lachte hem

uit.

Zo is het ook in het leven, de leugen wordt het

eerst geloofd.

Zie maar naar de theaters, naar de variétés!

Daar laat men zich waarheden in het gezicht slingeren en men zegt rustig: “Zoo is het” , men lacht er om en heeft zichzelf gezien.

 

En riep Eusopus toen men wil de waarheid wel, doch nergens loopt ze min gevaar dan in het fabelspel.

 

Si vous vouler aimer il faut croire d’abord

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

O Liebliche Wangen

(Flemming) – (Muziek Brahms)

 

O, liebliche Wangen, ihr macht mir Verlangen,

Dies rote dies weisse zu schouwen mit Fleische

Und dies nur alleine ist ’s nicht was ich meine

Zu schauen, zu grüssen, zu rühren, zu küssen

Ihr macht mir verlangen, o liebliche Wangen

 

O Sonne der Wonne! O Wonne der Sonne!

O Augen, so saugen das Licht meiner Augen

O engliche Sinnen! O himmlich Beginnen!

O Himmel auf Erden, magst du mir nicht werden.

O Wonne der Sonne, O Sonne der Wonne

 

O Schönste der Schönen! Benimm mir dies sehen

Komm eile, komm, komme, du Süsse, du Fromme

Auch Schwester, ich sterbe, ich sterbich verderbe

Komm komme, komm, eile, komm, komme, komm, eile

Benimm mir dies Sehnen, O schönste der Schönen

 

 

 

Een knufje

 

Een knufje heb ‘k bekommen

Ik schrok, ik weet niet hoe

Wat was ik toch “beklommen”

Ik zei geen ba of boe.

 

Het was toch eens gekomen

Waar ‘k nu niet meer voor beef

Natuur en kunst en liefde,

Mijn lief waarvoor ik leef

 

Nu wil ik ’t graag bekennen

Al is het niet te vroeg

Ik wil altijd bij jou wezen

Van jou krijg ‘k nooit genoeg.

 

Ach mocht het spoedig wezen

Mijn heerlijk appelwang

Dan was ik gauw genezen

En was ik nooit meer bang.

 

            Deine Wonne

 

 

’t Hoofd omhoog

Laat je toch gelden

Neem toch niet dat vloeken, schelden

Twaalf jaren dat is lang

Was je helemaal niet bang

Nu riskeer je weer gevaar,

Lieg ik nu? Of is dit waar?

Kom dus niet meer met die kuren

Óver dood, revolvervuren.

Lieg niet, houd er nu mee op,

Toon een flinke Duitsche kop

Laat je afkomst niet vervloeken,

Doe die zaak flink uit de doeken.

Zeg mij a.u.b. nu even

Waarom of jij bent gebleven?

Wees verzekerd lieve vrouw,

Dat ik toch veel van je houw!!

 

            Jou Engelenbout

 

 

 

Verlangen

 

Een knufje, een zoentje

Vlug was ’t geschied

Zat daar nu niets achter?

Toe wisten wij ’t nog niet

Ik ging naar huis, met dansen en zingen

Het begon toen eerst goed tot mij door te dringen

 

Wat was ik gelukkig,

‘k Was o zoo blij

Het bleef niet bij een keer,

Jij hoorde bij mij.

Ook mocht spoedig zijn, wat wij beider verwachten

In waken en dromen, in dagen en nachten!

 

Wie heb ik gelukkig gemaakt,

Vroeg ik toen.

Me zelf, of jou liefste?

Kom, geef me een zoen

Ik kan niet goed wachten, o, mocht het gauw zijn

Kom liefste kom spoedig, om bij mij te zijn

 

Per radio hoorde ik

De liefde bezingen

Dat is wel het hoogste van alle dingen

Weet goed wat in ’t Duitsche gedichtje staat!

Komm, komme, komm eile”anders is ’t te laat!

 

Gaat meestal anders wordt vaak gezegd

Als je denkt dat het goed gaat, gaat het eerst slecht!

 

 

Wintermorgen

 

Wat is de wereld wondermooi

Ook in wintertooi

Bomen en struiken met rijp belaan,

Staan stil te dromen, van komen en gaan

 

Dan komt weer de lente,

Een tuinman gaat enten

Bloesem en bloemen zullen weer daar zijn

Dat zal weer geven een heerlijk festijn

 

De zomer is heerlijk

Zoo rijk en begeerlijk

Wat is dan de wereld schoon

Niets valt dan meer uit den toon

 

En is de herfst weer daar,

Ook daar verlangen we naar.

’t Verdwijnen van geuren, verander van kleuren

Verheugen we ons in ’t gebeuren

 

Natuur is zoo groots en zoo prachtig

Daarbij zijn wij klein en onmachtig.

 

 

 

Partir c’est mourir un peu

Vertrekken, is als een beetje doodgaan

                  (vrij vertaald)

 

Nu ga ik heen, om spoedig weer te keren,

De tijd gaat snel, dat is ons ook bekend.

Och afscheid nemen behoef ik niet te leren,

Dat doe ik steeds, daar ben ‘k op ingesteld

 

Steeds ben ik daar, waar ‘k weet daar is verlangen

Want vrij is immers onze geest.

Ik leef dus niet in klagen of in bangen

Ben steeds bij jou al ben ik weg geweest.

 

 

Herfstgedachten (10-9-53)

 

Het wordt reeds aardig koud

En nog geen half September.

Ik vraag waar moet dat heen?

En staar naar de kalender.

 

Ja, elk getij is prachtig,

Als men voelt voor natuur.

Zie toe kijk om je heen

’t Is alles even machtig.

 

Zie toe, kijk om je heen,

Naar bloemen heesters struiken.

Nieuw leven is er reeds

Om straks weer te ontluiken.

 

 

Geloof, Hoop en Liefde (27-9-53)

 

Gelukgewenst met desen dag,

Nog vele, velen jaren.

Gezond en vrolijk zoo het mag

Ach, konden wij het klaren

 

Je weet hoe ik er maar naar streef

Jou steeds te kunnen schragen

Ik zou zo graag zoo lang ‘k nog leef,

Jou op de handen dragen!

 

Laat ons dus leven bij het uur,

Ons staat niets anders open.

 

(tekst verscheurd!!!)

 

Het is nu ruim een jaar geleden,

Dat jij je gaf en hebt verklaard.

Vaak hen je dat wel weer bestreden,

Voor mij is het het meeste waard!!!

 

            Du meine Wonne

            Bertchen

 

 

 

 

 

 

 

 

O, appelwang,

Hoor naar mijn zang

Moet ik nog langer wachten?

 

O, appelwang,

Wat duurt het lang

Och laat mij zoo niet smachten.

 

O, wangen rond,

Niet op jou mond.

Die rode kleur versmeren.

 

Laat toch natuur,

Want op den duur,

Zou ik jou niet waarderen.

 

Jij houd als geen

Van mij alleen

Dat heb je mij versproken

 

Laat dan die verf,

Voor al ’t bederf,

Aan al die modespoken.

 

Waarom je nagels niet gekleurd,

Dat heb je zelf afgekeurd.

En lippen bleek, die verf je uit nood,

Maar die van jou zijn heerlijk rood.

 

            Jou Bertchen

 

 

Nabetrachting

 

Wij waren aan zee,

In een zeer rustig net café.

En hebben daar koffie gedronken.

Eerst was alles lustig

Wij spraken heel rustig

Daarna in gedachten verzonken

 

De zee was wat woelig

Ik was wat gevoelig

En kon me haast niet bedwingen

’t Gemoed schoot me vol,

Dat was weer op hol,

Ik kreeg lust om een liedje te zingen.

 

 

 

Dat liedje is oud,

’t Maakt warm en weer koud

Toen heb ik gedichten besproken.

Dat deed me weer goed,

Aan ’t onrustig gemoed,

’t Was weer onstuimig aan ’t spoken

 

Toe appelwang lief

Schrijf nog eens een brief

Leg open je hart, je gevoelen

Zeg alles aan mij

Hoe of het ook zij

Kom laat me niet raden, maar voelen?

 

 

Je zei: “Ik ben niet altijd lief

Soms ben ik wel wat kattig”.

Mag ik dan toch jouw muisje zijn?

Jou bijten vind ik schattig.

 

 

Oct 1953

 

Auch kleine Dingen können uns entzücken

Auch kleine Dingen können traurig sein”.

 

Door Ludwig Wüllner hoorde ik dit, ruim

40 jaar geleden zingen.

Het is mij, als romanticus, altijd bij gebleven dat begrijp jij wel.

Ja ik ben fijn gevoelig en verlang daarentegen over ook fijngevoel.

Ik weet dat jij ook veel van mij houdt.

Zelf heb jij eens gezegd: “Omdat jij je zoo vrij tegenover mij kunt geven”.

Toch zou ik dat zoo graag, zoo dolgraag meer gewaar worden.

Speldenprikken zijn erger dan klappen.

Jaloers ben ik en jij (gelukkig) ook.

 

Of ik jou liefheb, appelwang,

Dat hoef je niet te vragen.

Toch voel ik me zoo vaak alleen,

In nachten en in dagen.

 

Was rozenmondje steeds bij mij,

Dan zou ik niet meer klagen.

Ik zou je knuffelen keer op keer,

De nachten en de dagen.

 

10-11-53

 

Gevoelig jij?

Niet minder hij,

Waarop jij zoo verliefd bent.

Wees voortaan lief

O hartedief

Opdat hij jou weer terug kent.

 

O kom nu vlug,

Wees niet zoo stug,

Och toon je waren aard.

Zoodat

Mijn schat,

Hij voelt: “Ik ben het waard”.

 

 

 

 

 

12-11-53

 

In ’t bos ik liep,

Een vogel riep.

Stel alles om me heen

Een blad viel neer

Die roep kwam weer

Ik was niet meer alleen

 

O kleuren schoon

In najaarstorm

O ondergaande zon.

Wat is toch mooi,

Die herfsttooi.

‘k Zou zingen als ‘k maar kon.

 

 

nov 1953

 

Mist ligt over wegen en velden

Het donkert al vroeg

Herfst laat zich gelden

Deez’ keer niet te vroeg.

Toch is hij gekomen,

Verlaten de wegen.

Kaal staan de bomen.

 

De natuur is nog rustig

Straks komen de vlagen

Van regen en stormen

Maar toch niet versagen

Het wordt wel weer goed

’t Komt alles op tijd.

Houdt steeds goeden moed

 

Gauw is ’t weer winter

Met sneeuw en met ijs

De vogels zij zoeken naar water en spijs

Een huisje voor voedsel

Maken we wel

Dan komt dat gevederde goedje weer snel

 

Een lijster en roodborst, vink en sijs

Ieder kwettert op eigen wijs

Dat is dan een vliegen, een komen en gaan

Waar komen die snaken zoo vlug weer vandaan?

Wij moeten niet vragen van hoe of waar

Wij horen genieten en kijken maar!

 

 

 

 

 

23-11-53          Multatuli

 

Wanner ik iets beweer, dat me morgen anders toeschijnt, zal ik dat zeggen voor overmorgen.

Het kost me geen moeite een dwaling (mijn ongelijk) te erkennen.

 

Ik heb zoo’n spijt

Mijn lieve meid,

Van wat ik jou misdeed.

’t Was niet jou schuld,

Ach ’t moet geduld,

‘k Hoop dat je ’t maar vergeet.

 

Mijn bloed dat kookt,

Mijn hart dat spookt,

’t Slaat alles slechts voor jou!

‘k Weet dat ook jij

Ook zo voor mij

Wilt blijven hou en trouw!

 

Mijn fijn gevoel,

O appelsmoel,

Speelt mij zoo vaak een part,

’t Moet onderdrukt

(Als ’t mij maar lukt)

Voor jou, mijn liefdessmart

 

Wees daarom lief,

Koester geen grief,

Voor wat ik heb misdaan.

Kom rozenmond, O wangen rond

Neem me in genade aan!

 

            Dein Bertchen

 

 

De winter is alree in ’t zicht

De nachten gaan weer strengen

En daarmee komt ook weer het licht

De dagn gaan dan lengen

 

Dan komen wolken groot en klein,

En blauw zal daar weer tussen zijn.

En komt er sneeuw en komt er ijs

Ons brengt het niet meer van de wijs.

 

 

De das

 

Ach, ach wat strop

Ging ’t door mijn kop.

Mijn das had ik verloren

 

’t Geschenk van haar,

ik vond het naar,

War zou ik daarvan horen.

 

Nu opgebeld,

Wordt er verteld,

De das hij was gevonden

 

Toen was ik blij,

En zij met mij,

Verliezen dat is zonden.

 

Nu naar “Kijkuit”

Zij ging vooruit.

Dat hoefde ik niet te vragen

 

Daar kwam zij aan,

Ik zeer voldaan,

Niets was er meer te klagen!

 

 

Partir c’est mourir un peu

 

Nu ga ik heen om spoedig weer te keeren

De tijd gaat snel dat is ons wel bekend

Ach afscheid nemen behoef ik niet te leren

Daar ben ik reeds te lang op ingesteld, enz

Dec 1952

Hoe zou ik dat nog van buiten kennen,

Zoo dit niet eerlijk was gemeend.

Mag ik dan jou alleeen verwennen

Blijf ik als steeds daarvan gespeend.

 

“O blijf maar weg een volle veertiendagen

Heb jij gezegd wel keer op keer

Waar moet ik toch mijn leed gaan klagen

Het is te veel voor mij, ik kan niet meer!

 

Mijn ogen gloeide, mijn hoofd was strak gespannen

‘k Moest blijven en was liever heen gegaan

Gedachten gingen rond, ik kon ze niet verbannen

Ach wat heb je me nu weer aangedaan

 

Steeds kwam ‘k bij jou, bij jou om raad te vragen

Niets deed ‘k alleen, alles vroeg ik jou

Och waarom steeds opnieuw dat moordend plagen

En toch ben jij voor mij mijn allerliefste vrouw

 

Wees lief voor mij ik ben het wederkerig

Alleen voor jou dat weet je toch goed

Naar jou, en jou alleen ben ik begeerig,

Toe wees nou lief en hartelijk heerlijke appelsnoet.

 

 

Lach maar!  -    3-1-54

 

Waar zijn nu die kleine smakkers?

Het huisje is toch klaar

Die vlugge bonte pik maar zakkers

Ze komen nog niet daar

 

De kraaloog en die gele bek,

De roodborst eigenwijs

Ze hebben zeker nog geen trek

Er is ook nog geen ijs

 

Men lacht en zit met mij te spotten,

Het huis is vast niet goed

Voor al mijn werk is dat mijn lot en

Lachen doet die appelsnoet!

Maar komt er sneeuw dan zul je ’t weten

Dan zul je nog wat anders zien

Dan komen al die snaken eten,

En heb je niet genoeg misschien!

 

 

Wees niet nieuwsgierig

      9-12-54

 

Nu ik hier zit,

Is er al gauw,

Nu eens dat en dan weer dit.

Jij lieve vrouw

Moet niet nieuwsgierig wezen.

Dat is niet fijn,

Mijn lieve schat.

Om zo te zijn.

Jij moest dat leren vrezen.

 

Och jij wilt mij

Nooit zoo verdrietig zien.

Als jij dit zegt, geloof ik vrij,

Dat jij dit meent, misschien? Ja!

Jij kent jezelf te slech.

’t Is daarom dat,

Ik jou steeds zeg,

Denk na mijn schat

Dan doe je mij eerst recht.

 

 

IJverzucht

 

Met Maria wandelen gaan

Zeg jij: “Bertchen dat laat je staan”.

Als jij zooveel van mij houdt,

Zeg dan, wie of jij niet vertrouwdt!

 

 

Een harde les

 

Van Sambal droom ik vast vannacht

Van uien kaal en vet

Loempia’s kun je niet meer ruiken

De zaak was keurig net

 

De koffie smaakte beter

Daarbij een fijne kaak

Dat konden wij waarderen

Dat aten wij met smaak

 

Toch moest jij even proeven

Dat rode hete goed

Je tong begon te gloeien

En trok een rare snoet

Een lach moest ik bedwingen

Het deed me werkelijk pijn

Hoe kon je weer zo nieuwsgierig

Zo onverstandig zijn?

 

Laat nieuwsgier je niet leiden,

Dat zeg ik keer op keer.

Jij moet voorzichtig wezen

Dit was een harde leer!

 

 

Droom           -    12-1-54

 

De avond daalde langzaam neer. Een rijte vissershutten, licht aan de kust, als neergezet uit een speelgoeddoos, was als met stofgoud overgoten.

De anders zoo sombere vensters vingen de laatste zonnenstralen en leken vloeibaar goud, het was als vuur en op een afstand kreeg men de indruk of er een geweldige brand woedde.

Het was één tintelen en schitteren en maakte, onder de daarboven violetkleurige wolken, een onvergetelijke indruk.

Boven de zachtruisende zee waren de wolken omzoomd met een gouden contour en gleden zacht heen naar het zuiden.

Een vlucht vogels gleed geluidloos naar hun nachtleger. Heel de natuur ademde kalmte en een weldadig aandoende rust kwam over alles te liggen.

In de verte tekende zich nog vaag enkele visservaartuigjes af tegen de daar nog lichte hemel.

Ik raakte aan het dromen en zag me met haar, die ik zoo lief heb, op een zachte zomeravond gezeten aan de voet van het duin. Stil waren we beiden, we spraken geen woord.

 

 

Ga met tram en bus      -    Febr 1954

 

De regen viel bij stromen neer,

Ik wist niet wat te doen.

Ga met de tram heb jij gezegd

Ik dacht na en deed het toen.

 

Maar bij de halte van de bus,

Owee het werd mij bang

Daar moest ik wachtenlang niet knus

Wat duurde dat weer lang

 

Gelukkig was het toen weer droog.

Dat maakte nog iets goed

Daar liep ‘k gestadig heen en weer.

Zou ‘k lopen? Ik kreeg weer moed.

 

Maar eindelijk kwam de bus toch aan,

Vlug stapte ik erin

Veel mensen nat dicht op elkaar

‘k Was thuis, jij had je zin.

 

 

Avond      -    Febr 1954

 

 

De zon gleed langzaam naar het westen,

Haar stralen bestoven de gevels met goud,

De gloed der vensters leek ten leste

Als laaiend vuur in ’t dorre hout

 

En boven dat al, violette wolken,

De randen met gouden contouren omzoomd,

De vensters geleken vlammende kolken,

Niets scheen te leven alles gedroomd.

 

De avond kwam rustig, langzaam ’t duister

Zacht gleed de zon in de kalme zee,

Het was een murmelen, een zacht gefluister,

Wij werden stil en gleden mee!

 

 

Verzuchting       -    24-4-54

 

Nog nooit heb ik zooveel….vul zelf maar in

Ach waartoe dient het ’t heeft toch geen zin

Gedacht en gewacht, waar moet dat stranden?

De laatste dichtregels nog in handen.

 

Is alles, ja alles, zoo kort van duur?

Ach is alles dan slechts één kuur?

Is dit tot slot van ’t lied het droeve end?

Heb ik jou misschien te veel verwend?

 

Denk nog eens terug, hoe het is gekomen.

Nu voel ik me of ik ben genomen

Weten wil ik hoe je er nu over denkt,

Aan wien je nu je liefde schenkt.

 

Nooit hoor ik iets als ik er niet om vraag

En dan zelfs komt het antwoord traag

Met zoo’n langgerekt ja – a – a ben ik niet tevreden

Daarvan heb ik reeds te veel geleden

Vragen moet ik vaak “geef me een zoen”

Kun je dat nooit uit jezelf eens doen?

 

 

Weerzien -    24-4-54

 

Het weerzien en het wederkomen,

Mededeling van jou dromen.

Deed me zo weldadig aan.

Het is me niet als zoo vaak vergaan

 

Het komt dus niet van ene zij

Het deed me goed, wat was ik blij

Och mocht het nu maar spoedig zijn,

Weg was de druk en ook de pijn.

 

O mogt het nu toch spoedig wezen

Nog steeds maar hopen, steeds nog vrezen.

Wees toch voor mij als ik voor jou,

Jij appelwang, mijn lieve vrouw!

 

 

Schrijf ook eens iets?    -    April 1954

 

Gewacht,

Gedacht,

Waar blijft de vraag,

“Zeg kun je niets meer schrijven?”

Ik hoor niets meer,

Geen enkele keer,

Moet dat nu zo maar blijven?”

 

O, neen,

Ik meen,

De zaak zit zo.          Dat was

Ik hoor van jou haast niets zaterdags

Een innig woord

Wordt schaars gehoord

Och schrijf jij ook ééns iets?

            Zondag

Ik vraag vaak om een lieflijk woord

Dat heb ik gisteren toch gehoord!

’t Is jou zelf misschien ontgaan.

Gelukkig! Je hebt het niet met opzet gedaan!

Dus kwam het voort uit jou gemoed,

Daarvoor veel dank, mijn heerlijke appelsnoet!

 

 

Smeekbede          -    April 1954

 

Kun jij dat kletsen dan niet laten,

Je hebt het mij toch zo beloofd.

Van wie heb jij geleerd dat praten,

Ik was gewoon versufd, verdoofd.

 

En is die rem eens losgelaten.

Dan ratel jij aan een stuk door.

’t Geeft me niets geen smeken, geen klagen,

Dan klap ik aan het dove oor.

 

Mijn fijn gevoel moest jij waarderen

Voor jou heb ik zoveel gedaan,

Of wil jij dan van mij niets leren?

Och laat mij in vrede gaan.

 

Kom liefste schat wees wat meegaande.

Nu vraag ik ’t jou nog een enkele keer.

Jij hebt me lief, dat houdt je staande

Kom denk er aan en doe ’t niet meer!

 

 

(Eerst denken, daarna spreken)    -     4 mei

(Dat is steeds het best gebleken)

 

Met een tekort aan inteligentie,

Met raad en oordeel steeds gereed.

En dat met zoveel pertinentie,

Alsof je ’t al begrijpt en weet.

 

Bescheidenheid is hiet geboden,

En denken voor je iets beweerd.

Het logisch denken zeer van node,

Dat is ’t vooral wat moet geleerd.

 

Niet dat ik alles in de wind sla,

‘k Neem goede raad toch heel graag aan.

Bedenk toch goed hoe ik ervoor sta.

Zodra ik kan dan zal ik gaan.

 

Denk ook wat jij hebt nagelaten,

Gebleven waar jij heen moest gaan.

En boter op je hoofd gelaten,

Terwijl jij in de zon bleef staan!

 

 

Verzuchting -    Mei 1954

(nooit is het goed)

 

Wel schijnt dezon,

Toch is het koud.

Het voorjaar komt gekropen.

Wij worden oud,

Toch moeten wij maar hopen.

 

Kom schud nu af,

Dat droeve beeld,

Al gaat het somtijds mis.

Is zomer daar,

Dan zuchten wij,

O werd het nu maar fris.

 

 

Doe toch niet zo olijk              Mei 1954

 

Heb gisteren in eenzaamheid,

De helen dag gesleten

Dat is voorwaar geen kleinigheid

Heb op ’t Plein gegeten

 

’s Middag “Vogelhändler’s muziek”

Genoten in B City.

Dat was je reinste romanthiek

Gedachten steeds bij Christi

 

Was in gedachten steeds bij jou

Dat kon je wel verwachten

Zat op een bank hier in ’t Voorhout

Toen was het tien voor achten

 

Heb vaak dat sombre gevoel

Dat jij me soms ontwijkt

En jij je niet goed geven kunt

Een andre kant opkijkt

 

Want als je zegt: “ik heb je lief”

Dan lach je vaak zoo vrolijk

Jij bent van mij mijn hartendief

Ach doe toch niet zo olijk

 

 

Zes vacantiedagen

6-7 Juni Pinksteren 1954

 

Veel kou en o zo weinig zon.

Zo was het alle dagen.

O als het mocht en als het kon,

Ik kan het haast niet dragen

 

Mijn tijd is om en nu terug,

Wat zal het nu weer geven.

Toch ging het alles even vlug,

Je zoudt er haast voor beven

 

Toch was ik blij, ja zeer verheugd,

Was steeds in mijn gedachten

Bij jou mijn lieve Appelsnoet

De dagen en de nachten

 

‘k Zie nog het wuiven aan de deur,

Van jou allen, dat zag ik.

Dat was zo heerlijk en geen sleur.

Dat deed me goed dat mag ik.

 

 

Mei 54

 

Zo ga dan heen naar andere gewesten,

Geniet volop het is de moeite waard.

Het weer is schoon gekomen is de zon ten langen leste

We hebben lang gewacht en naar de lucht gestaard.

 

’t Is alles groen enn bloesem waar je heen kijkt,

De wereld is zo mooi als men er maar op let.

Ach sta niet stil bij ’t geen wat ons zo slecht lijkt,

Dan wordt je neergedrukt, dan wordt je soms verplet.

 

Het leven is voor ons nog altijd één groot raadsel,

Aanvaard met moed toch alles wat er is.

(Wij allen zijn een stuk van’t grote maaksel)

Volg op die raad want anders gaat het mis.

 

 

Houdt steeds je woord! -    Aug 54

 

Wat ik beloofde heb ‘k gedaan,

Al was ik er soms tegen.

Toch ben ik steeds heengegaan,

Het kleed heb ik gekregen.

 

En drink ik koffie of wel thee,

Dan denk ik weer aan jou.

Al valt me alles soms niet mee,

Ik doe het voor mijn lieve vrouw.

 

Ach, wat ik doe of wat ik laat,

Waardering blijft vaak achterwege.

Wordt jij nu s.v.p. niet kwaad,

Jou heb ik lief , terdege.

 

Voor jou doe ik zoveel ik kan,

Toch heb ik nog één beê.

(Ben ik voor jou nog steeds jou man?)

Houdt ook je woord en ‘k ben tevreê.

 

 

30-9-54

 

Een dag van storm en regenvlagen.

Dat is geen weer om uit te gaan.

Houd toch maar moed en niet versagen,

Men moet zich door het leven slaan.

 

‘k Zit bij de haard en luister naar,

Der Freischütz die wordt uitgezonden

En mijn gedachten ’t meeste daar

Waar ik jou, liefste heb gevonden.

 

O, mogt het nu toch spoedig wezen

Alwaar mijn hart zeer naar verlangd

Ik leefde niet in hoop en vrezen,

Voor al jouw liefde hartelijk dank.

 

 

Een slechte bui  -    2-10-54

 

Met hoed en jas, wat zie ik nu?

En dat met zulk mooi weer.

Vergeet je niet jou paraplu,

Gebruik je die niet meer?

 

De kop wat scheef de jas wat schuin

Wat was er aan de hand?

Je was niet in je knollentuin,

Je arm wat verbrand.

 

Ik hou niet van zoo’n kwade bui,

Soms is het ’s avonds kil

Daarom die jas en ook die hoed

Vindt jij dat nu zoo’n gril?

 

 

Het is mij ernst en geen spel   19-10-54

 

Eens zei je mij: “’k heb liefde nodig”.

Een “zachtheid” weet je het nog, mijn liefste Schat?

Is wat ik geef nu overbodig?

Ook ik vraag liefde weet jij dat?

 

Dat ik jou liefheb, heb ik bewezen,

In alles wat ik deed voor jou.

Och laat mij niet in hoop en vrezen

Wees jij voor mij een lieve vrouw.

 

En ondeugd is ’t voor kat te spelen,

’t Hoort niet bij liefde onthoud dit wel.

Jou heb ik lief wil ’t niet verhelen,

Mijn liefde is ernst en geen spel!

 

 

Donderdag 4-11-54

 

Zit zo alleen,

Voel me verlaten

Alleen de radio geeft wat vertier

Denk steeds en schrijf,

Kan dat maar niet laten.

Tracht af te schudden dat gemier.

 

Het komt steeds weer,

In waken en in dromen,

Ben soms wat ruw, dat doet me zeer.

En jij, mijn lief, heb mij genomen,

Zelfs met mijn fouten, ach wat wil ik meer.

 

Chopin’s imprompter,

Hoor ik daar spelen.

O, lief was jij nu maar bij mij

Dan zou ik mij niet meer vervelen.

Ik was gelukkig

Voelde mij dan trots en vrij.

 

 

25-11-54

 

Dat staan zo ongezond zou zijn,

Is toch niet waar, dat is slechts schijn.

De schoenhersteller van voorheen,

Die staat vandaag omdat het scheen,

Veel zitten slecht voor stoelgang was

Ook de tailleur begreep alras

Veel zitten geen gezondheid was.

 

Doch altijd staan is ook niet goed

Dat weet eenieder daarom ’t moet,

Niet overdreven worden

Je zit niet bij de was der vaten.

Men moet de kerk in ’t midden laten.

Bij denken doen en ook bij praten

Ik zal het dus maar hierbij laten

 

 

Speel jij dus niet voor toverkol,

Weet voor een gek is niets te dol

De kachel heet geen verse lucht

Jaagd de gezondheid op de vlucht

Zelfs in de zomer moet gestookt

Jezelf verzwakt en uitgerookt

Hoe moet dit als de winter spookt?

 

Ga rustig zitten als het kan

Ik gun ’t je graag en ben je man.

En denk goed na wanneer je staat

Dat elke overdrijving schaad!

Want; Dein ist doch mein gansses Herz,

In lief en leed in vreugd en scherts.

 

 

26-11-54

 

Reeds vele malen opgebeld,

En kreeg maar geen gehoor.

Ik zit alleen en je begrijpt,

Het stelt mij zo teloor.

 

Uit Heelsum kwam juist een bericht,

Dat daar de dood reeds naakt.

En Henny schoonzuster alhier,

Door griep is aangeraakt.

 

Dus moet ik morgen heel den dag,

Maar zien wat nog te doen.

De Kroes heb ik ook afgebeld en ach

Verlang van jou een zoen  (zoo’n geile)

 

Naar Aerdenhout schreef ik ook vlug,

Hoop spoedig nu een brief,

Waarop en antwoord nu terug,

Met finantieel gerief.

 

Nu kwam ik van de telefoon,

En vond het o zo fijn,

Het antwoord was nu toch jou toon,

Jou stem, ja, du bist mein.

 

Ik dacht jij was met hem naar stad

Waarvoor mij ’t harte beeft,

Omdat jij altijd lieve schat.

Aan hem zit vastgekleefd.

 

Herfst in Aerdenhout         nov 1954

 

Die witte, die rode, die zwarte bessen

Zij stonden in herfstlijken tooi

De takjes met goudgelen bladeren,

’t Was alles zo heerlijk, zo mooi.

 

’t Was alles zo heerlijk en rustig,

Ik wandelde eenzaam daarheen.

Toch voelde ik mij vrolijk en lustig

Mijn gedachten vlogen naar één.

 

Naar één en kunt gij nu raden,

Wie nu die enen zou zijn?

Ach, was op die eenzame paden,

Die eene die liefste mijn!

 

Voor haar sneed ik af die bessen,

Die bruine bladeren erbij.

Die bruine zijn heel bijzonder.

Met lieflijke groeten van mij.

 

 

St. Nicolaas  -    1954

 

Na 7 liep ik door de stad,

Keek rustig om mij heen.

Wat ik daar wel te zoeken had?

Ach niets, maar ‘k was alleen.

 

Heb gegeten op de laan,

Bij mijn familiepaar.

Moet eindelijk daar ook weer vandaan,

Lijn 2 stond toen juist klaar.

 

Verlichting moet ik ook eens zien

Waar Woensdag jij van sprak.

Ik dacht, jij was daar ook misschien!

Of naar de Ciniac.

 

’t Scheelde weinig of ik was,

Daar ook nog in gegaan

Doch schrapte dit idee alras

Was even blijven staan

 

De straten waren vol van licht,

Er was niet veel gewoel

En door mijn ogen dat gezicht,

Die heerlijke Appelsmoel!

 

 

Wintergedachten

      6 Jan 1955

 

Een wintermiddag met lichte mist,

Omvatte alles als in een droom.

Liep in gedachte door de lanen,

Een verlaten nest hing in een boom.

 

Toen schoot een merel voor mij heen,

Ben stil daar blijven staan

En hoe ik keek, kon niet ontdekken

Waar die zo snel was heen gegaan

Toch was er leven overal,

Wijl alles eenzaam leek en zo verlaten

Veel vogels die naar voedsel zochten

’t was of ze met elkander praten.

 

Gedachten kwamen en verdwenen,

Ze gleden heen, terug naar haar,

Die ik maar node had verlaten.

Och wanneer wordt dit sprookje waar?

 

 

21 Maart 1955

 

Wat maal ‘k om hagel sneeuw en kou

De lente komt, de lente komt,

De lente komt nu gauw

 

‘k Zie spreeuwen zwermen door de lucht

Ze zwerven heen en weer,

En zoeken naar een rustig oord

Daar strijken zij dan neer!

 

Daar breekt de zon door wind en wolken

Plots valt de regen in  stromen neer.

Het water bruist in stroom en kolken

Maar lente, lente is ’t toch weer!

 

 

2 Juli 1955

 

Geen leven zonder liefde,

Laat af wat mij steeds griefde.

“Nog nooit heb jij zoveel,

Van iemand ooit gehouden”.

Ik geef mezelf geheel,

Vanaf we samen trouwden.

Nu vraag ik nog een keer,

Wil liefde steeds doen blijken.

Dan wil ik altijd weer,

Naar jou mijn liefste kijken!

 

Drie jaren gingen heen

Met liefde en met wachten

Ach was het toch geleen

Dat mateloze wachten

Ik hoop voor altijd jou alles

            Bertchen

 

 

(“Si vous voulez aimer , il faut croire dábord”)

Als je wilt beminnen moet je eerst geloven)

 

            4 Juli 55

 

Geen radio was nodig,

Waarom naar jou mijn gang.

De hoed was overbodig,

Allen naar jou mijn drang.

 

Waartoe dat nooit geloven,

Vertrouw je mij zo slecht?

Ik wil je wel beloven,

Van mij is dit wel echt.

 

Wat anderen beweren,

Dat neem jij voetstoots aan.

Als ik iets wil beweren,

Dan is ’t geloof gedaan!

 

 

22 Juli 1955

 

Drie jaren zijn er nu voorbij,

In hopen en verlangen.

Wanneer zo vraag ik zijn we vrij

De tijd is snel vergangen

 

O, als je drie jaar voor je ziet,

Dan kun je niet geloven.

Dan denk je dat beleef ik niet,

Dat kom ik nooit te boven.

 

 

Hab Sonne im Herzen

      27-9-55

 

Met zon in je hart en veel goeden moed,

Treed in dit nieuwe jaar

Moed is er zeer voor nodig,

Want veelal valt het mij zwaar.

 

Vandaag daar niet aan denken,

Doch fris en vrolijk zijn.

‘k Gaf veel, wil meer nog schenken

Die allerliefste mein!

 

 

12 Juni 1956

 

O, troeliefzus zeg appelbol

Jij maakt mijn hele kop op hol

Aan jou denk ik den gansen dag,

Och dat jij in mijn armen lag

Zoo droom ik altijd, altijd door,

Zelfs in mijn slaap kom jij me voor

Altijd in mijn gedachten.

Hoe lang moet ik nog wachten?

 

All meine Gedanken hat die Liebe genommen.

Kan ik voorgoed maar bij jou kommen!