Drs. A.J.B. Hubert
Scheveningen, 20
augustus 2004
Scheveningseslag
3
2586 CJ
Scheveningen
Tel 070 3551233
Fax 070 3558353
Mobiel 06
18305769
e-mail a.j.b@hubertnet.nl
Aan:
het College van Dijkgraaf en
Hoogheemraden van Delfland
Phoenixstraat 66
2611
AM Delft
Betreft:
bezwaarschrift
Geacht college,
Gedateerd 5 augustus 2004 hebt u besloten aan de Stichting De Onvoltooide, Rederserf 72, 2586 KC Den Haag, als eigenares van het perceel, kadastraal bekend gemeente Den Haag, sectie AF, nr. 3953 (Harteveldstraat 1, 2586 EL) en rechtverkrijgenden, hierna te noemen vergunninghouder, vergunning te verlenen tot het in de zeewering te Scheveningen aanbrengen en hebben van drie panelen en het doen van grondroering in de waterkering ten behoeve van de uitvoering.
Ik maak daar bezwaar tegen en verzoek u in heroverweging uw besluit in te trekken dan wel aan te passen.
Om te beginnen moet ik u attent maken op een onschuldige onjuistheid in uw kwalificatie van vergunningverkrijger als “eigenares van het perceel, kadastraal bekend gemeente Den Haag, sectie AF, nr. 3953 (Harteveldstraat 1, 2586 EL)”. De stichting heeft de grond in erfpacht. De eigendom berust bij Sociëteit De Witte, Plein 24, 2511CS ’s-Gravenhage. De sociëteit heeft in volle eigendom het Paviljoen De Witte, aan de Pellenaerstraat te Scheveningen. Het is als een verzuim uwerzijds aan te merken dat de Sociëteit door u niet is aangeschreven om de verleende vergunning bekend te maken. Het betreft een zéér betrokken ‘buurman’.
Reden om de verleende vergunning in te trekken kan
voor u
zijn dat het Haagse Gemeentebestuur onlangs heeft meegedeeld dat geen
medewerking zal worden gegeven aan de aangevraagde bouwvergunning. Uw
vergunning is dus inmiddels zinledig
geworden. Nu
voegt u aan de vergunning slechts de mededeling toe ‘B. Voor het uitvoeren van werken in niet
aan de vergunninghouder toebehorende percelen zal toestemming moeten
worden
verkregen van de desbetreffende eigenaren.’ Dat lijkt niet adequaat nu de gemeente,
grondeigenaar van de drie locaties
waar u vergunning voor verleende, reeds
toestemming
heeft onthouden.
Wezenlijk bezwaar heb ik tegen de door u gestelde voorwaarde 6 juncto 7. Deze luiden als volgt:
6.
Het
ontgraven zand moet in de directe omgeving (straal van 50 m) van de
werken in
hetzelfde dwarsprofiel worden verwerkt.
7. Ter plaatse van de uit te voeren werken mag geen overschietend zand of ander korrelig bodemmateriaal blijvend uit de zeewering worden verwijderd. In afwijking hiervan mag overschietend zand of ander bodemmateriaal zonder betaling van een afkoopsom op een binnen de zeewering gelegen locatie worden gestort indien zowel het te storten materiaal als de locatie door of namens de Teamleider Keurbeheer van de Sector Vergunningen en Handhaving hiertoe geschikt worden bevonden. Het stort moet daarna stuif vrij worden afgewerkt. Eventueel ongeschikt bevonden materiaal mag worden vervangen door geschikt zand.
Mijn onderstaand bezwaar is vooral van principieel belang, nu vergunninghouder toch niet in de gelegenheid zal zijn gebruik te maken van uw vergunning.
Het bezwaar richt zich tot het primaire voorschrift van artikel 6. Het gaat volgens uw opgave om 8 m3. In een gebied met een straal van 50 meter van elk van de werken is geen enkele onverharde ruimte waar zand kan worden geborgen, behalve op de top van het kunstmatige duintje op het museumdak, aan de Harteveltstraat. Waterstaatkundig zou dit een rare oplossing zijn: het ontgraven zand uit het in de omgeving laagste deel wordt dan neergelegd op het in de omgeving hoogste punt van de zeewering. Dat schiet uiteraard niet op. Bovendien – en daar komt mijn privé-belang ter sprake – is dit duintje op het museumdak toch al hoger uitgevallen dan toegestaan in de oorspronkelijke bouwvergunning en bevind het zich in mijn vrije uitzicht op het Paviljoen, een Rijksmonument dat gezien mag worden! Ik heb dus bezwaar tegen voorschrift 6, een voorschrift dat bovendien vergunningverkrijger ogenschijnlijk zou verplichten een ander overheidsvoorschrift te schenden door nl. het duintje hoger te maken dan hem door de gemeente op goede gronden is toegestaan. Ik verzoek u dit voorschrift 6 te laten vervallen en voorschrift 7 zó om te bouwen dat hetgeen daar nu als secundaire voorwaarde wordt gesteld, imperatief wordt voorgeschreven, waarbij ik dus tevreden ben met alle zandbergingslocaties behalve de top van het duintje op het museumdak aan de Harteveltstraat. Ik vestig er nog uw aandacht op dat bij eerdere bouwwerken van het museum ook niet het ontgraven zand in de directe omgeving is gestort: noch bij de aanleg van de beeldentuin noch bij de eerdere aanleg van o.a. een kelder en de uitholling onder het terras aan de zuidzijde van het Museum, is dit geschied. Mij ontgaat dan waarom dit beetje zand wél in een straal van 50 m zou moeten blijven als honderden m3 afgevoerd mochten worden!
Tot het geven van nadere inlichtingen ben ik altijd bereid. Zie daartoe vooral ook de website die ik betreffende deze bouwvergunning-aanvraag heb gemaakt: http://www.hubertnet.nl/bilboards.html
Met vriendelijke groeten,
en in afwachting van uw gunstige beslissing in heroverweging,
Bert
Hubert
Ir. Jan Vos
Scheveningseslag 77
2586 KW Den Haag
e-mail:strandvos@wanadoo.nl
BEZWAARSCHRIFT inzake:
het plaatsen van reclameborden
museum Beelden aan Zee op
de kop
van de Harteveldstraat te Scheveningen
Aan:
Het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland,
Phoenixstraat 66
2611 AM Delft
Scheveningen 20 augustus 2004
Geacht college,
Na het lezen van het krantenbericht, waarin werd vermeld dat het gemeentebestuur van Den Haag geen vergunning zou geven voor het plaatsen van zeer grote reclameborden voor het museum Beelden aan Zee, slaakte ik een zucht van verlichting. Het onzalige plan van het museum is van de baan!
Eén van mijn buren liet mij echter zijn, aan u gerichte, bezwaarschrift lezen waardoor mijn geruste gevoel plots weer verdwenen is.
Hoe kan het bestaan dat er door u een vergunning gegeven wordt, terwijl de gemeente dat niet doet. U schrijft wel dat de eigenaar van de grond ook toestemming moet geven, maar toch denk ik dat uw vergunning de aanvrager een “verbaalwapen in handen geeft; zoiets als: “zie je wel dat het van Delfland mag, nu moeten jullie ook toestemming geven”. Dat maakt de situatie alleen maar verwarrender.
Ik maak dus bezwaar tegen het plaatsen van reclameborden in de kustverdediging, ook nog midden in een straat. Voor de verdere inhoudelijke argumentatie sluit ik mij aan bij het bezwaarschrift van de heer Hubert, Scheveningseslag 3.
Met vriendelijke groet,
Jan Vos
DELFLANDS
ALGEMENE KEUR
Artikel 58
1.
Het
is, onverminderd het bepaalde in de Waterstaatswet 1900 en het Wetboek
van
Strafrecht, verboden:
2°.in de buiten‑ en binnenduinen te
graven, te ontgraven
of grondroering te doen of te laten doen;
10°. op, in of boven
de buiten‑ en binnenduinen gebouwen, getimmerten, glasopstanden,
palen
of andere constructies of werken te maken, te plaatsen, te leggen, te
hangen,
aan te brengen, te verplaatsen, te veranderen, te herstellen, te
vernieuwen, op te ruimen of te hebben;
11°. in of boven de
buiten‑ en binnenduinen ankers, kabels, buisleidingen en dergelijke
te
leggen, te hangen, vast te maken, aan te brengen, te verplaatsen, te
veranderen,
te herstellen, te vernieuwen, op te ruimen of te hebben, behoudens het
bepaalde in de Wet op de telecommunicatievoorzieningen;
15°. de in of langs de
buitenduinen aanwezige basalt‑ en asfaltglooiingen en andere
verdedigingswerken
tegen de Noordzee op enige wijze te beschadigen, alsmede enig
materiaal
bestemd voor of gediend hebbende tot het aanleggen of onderhouden van
die
werken, te vervoeren of weg te nemen;